Inleiding

Veilig netwerk

Neurotoxische effecten

Hoor/wederhoor

Betrokken partijen

Stellingen

Nader Onderzoek

Contact / redactie

Veilig mobiel netwerk
 
Wat is een veilig stralings-niveau bij chronische blootstelling?
 
Uit de peer-reviewed literatuur (zie: neurotoxische effecten, in het bijzonder Hutter et al. 2006, maar ook Navarro et al., 2003) valt af te leiden dat chronische blootstellingsniveaus van 100-500 microwatt/m2 bij omwonenden van zendmasten tot een verhoogde incidentie van o.a. hoofdpijn leidt. In perspectief: de benedenwaarde van dit interval (100 microwatt/m2) werd in 2001 als Europese chronische blootstellingslimiet voorgesteld in een werkdocument van de Scientific and Technological Options Assessment (STOA) van de Europese Unie (Hyland, 2001), en is in 2004 voor de 105000 werknemers van autofabrikant BMW vastgesteld als maximum blootstelling op de werkplek (in het kader van een actie om het ziekteverzuim terug te dringen). De bovenwaarde van dit interval (500 microwatt/m2) ligt vlak bij de grenswaarde die momenteel in Toscane voor GSM en UMTS zendmasten geldt (600 microwatt/m2).
Wanneer de gebruikelijke veiligheidsfactor 100 op de resultaten van Hutter et al. zou worden toegepast kom je uit op een limiet van 1 microwatt/m2; dit stralingsniveau komt overeen met de streefwaarde zoals die bijvoorbeeld door de ambtelijke gezondheidsheidsdienst in Salzburg is geformuleerd, en in grote delen van de stad ook realiteit is (bron: persoonlijke communicatie, Dr. Gerd Oberfeld).
Ons kennisplatform acht zo'n streefwaarde van 1 microwatt/m2 in combinatie met een wettelijke blootstellingslimiet in woningen (chronische gevel belasting) van 100 microwatt/m2 redelijk voor alle betrokkenen: dan is te verwachten dat in 99 % van de woningen de blootstelling minimaal drie maal lager is. Voor de ongeveer 1 % van de woningen waar deze waarde van 100 microwatt/m2 wordt benaderd, kunnen bewoners desgewenst m.b.v. een aantal relatief eenvoudige afschermmaatregelen de blootstelling binnenshuis met een factor 10-100 verder reduceren.
De chronische blootstellingslimiet (gevelbelasting) van 100 microwatt/m2 is bovendien uitstekend werkbaar voor de telecom-industrie (zie volgende sectie).
 
Wat voor signaalsterkte heeft mobiele apparatuur nodig?
 
De meeste mobiele apparatuur functioneert vanaf signaalsterktes in de orde van 0.001 microwatt/m2. Uitgaande van een verlies door reflectie en absorbtie van buiten naar binnen (de zogenaamde "building penetration loss") van 90% is hiervoor op straatniveau een signaalsterkte van 0.01 microwatt/m2 nodig. Uitgaande van een "building penetration loss" van 99% (bijvoorbeeld voor diepe kelders of gebouwen met veel gewapend beton en metaalbedampte ruiten) is hiervoor op straatniveau een signaalsterkte van 0.1 microwatt/m2 nodig (per provider). Het is technisch lastig om egaal overal op straat zulke signaalsterktes van 0.01 of 0.1 microwatt/m2 te bewerkstelligen. Maar met de standaardtechniek van vandaag is een variatie in signaalsterkte van 100 op straatniveau wel goed haalbaar. Dit zou dus een maximale signaalsterkte op straatniveau (op de zogenaamde "hotspots") van 1 of 10 microwatt/m2 inhouden (afhankelijk of je uitgaat van een "building penetration loss" van respectievelijk 90 of 99%). In dit verband is het ook nog nuttig om te weten dat het eenvoudig mogelijk is (en in veel landen al staande praktijk) om (kantoor)gebouwen met een hoge "building penetration loss" (die bovendien relatief ver van een zendmast staan) te voorzien van een zogenaamde "repeater". Dit is een kleine installatie die de signalen buiten ontvangt, en m.b.v. een mini-zender enigszins versterkt binnen doorgeeft. Als je een dergelijke repeater zou installeren in ieder gebouw die een building penetration loss van meer dan 90% heeft (en bovendien relatief ver van een zendmast staan), zou in dit scenario op straatniveau nergens een hogere signaalsterkte dan 1 microwatt/m2 hoeven te bestaan (per provider).
 
Wat zijn de huidige continue blootstellingsniveaus in Nederland?
 
In woningen rondom zenders die (vergunningsvrij) op lage masten zijn gemonteerd worden regelmatig stralingsniveaus van 10000 - 20000 microwatt/m2 gemeten (zie www.antennebureau.nl). In Fig. 1 is schematisch weergegeven wat de reden van deze hoge stralingsniveaus is: deze dichtsbijzijnde woningen zitten bijna vol in de 'kegel' van de zendinstallaties. De zendinstallaties staan relatief hard afgesteld (10-20 watt per zender) om ook de kelders van woningen tien blokken verder te kunnen bereiken. Slechts een zeer klein percentage van de straling zal namelijk deze kelder bereiken omdat de zendmast zo laag is, en de tussengelegen huizenblokken bijna alle straling reflecteren, cq absorberen.
 
 
 
Fig. 1 (links): Antenneplan in veel Nederlandse woonwijken: relatief sterke zenders (vaak 10-20 watt) op lage masten: woningen vlak bij masten hebben hoge chronische blootstellings-niveaus (10 000 - 20 000 uW/m2) die tot veel neurologische klachten (met name hoofdpijn/migraine) leiden.
 
Fig. 2 (rechts): Alternatief antenneplan (zoals reeds staande praktijk in bijvoorbeeld Salzburg en delen van Zwitserland): hoge masten met relatief zwakke zenders: de straling wordt beter verdeeld en de hoogste blootstellingsniveaus (10 - 100 microwatt/m2) zijn een factor 100-1000 lager dan in Nederland, terwijl de dekking van het netwerk uitstekend is: dit is logisch want de meeste mobiele apparatuur functioneert al vanaf signaalsterktes in de orde van 0.001 microwatt/m2.
 
Het alternatief: hoge zendmasten met zenders met een laag vermogen
(het Salzburger antenneplan).
 
Wanneer veel hogere zendmasten gebruikt worden, die minstens 20-30 meter boven de dichtsbijzijnde woningen uitsteken (zie Fig. 2) heeft dit twee voordelen. Ten eerste kunnen de zenders zwakker worden afgesteld (bijvoorbeeld 0.6 watt uitgangsvermogen i.p.v. 10-20 watt) omdat de straling schuin van boven komt, en dus een groter percentage van de straling ongehinderd door kan dringen tussen huizenblokken verderop, en vervolgens via minder reflecties tot de kelders in deze huizenblokken. Ten tweede zal de kegel (met de hoogste stralingsactiviteit) ruim over de dichtsbijzijnde woningen heen gaan. In de praktijk zijn bij een dergelijk antenneplan de hoogste stralingsniveaus niet te vinden in de woningen die het dichtst bij de zendmast staan, maar bij woningen 300 m verderop. Bij deze woningen op 300 m afstand zijn de maximale signaalsterktes in de orde van 10-50 microwatt/m2. De straling wordt veel egaler verdeeld (zie Fig. 3, helemaal onderaan deze pagina).
Het bereik met een dergelijk zendmastenplan is ongeveer hetzelfde; er kan nog steeds ongeveer evenveel signaal in ver van de zendmast weg gelegen diepe kelders en in kantoorgebouwen met stralingswerend - metaalbedampt - glas doordringen. Een verdere reductie van de stralingsniveaus kan bereikt worden door het wattage van de zenders verder te verminderen en versterkers ('repeaters') aan te brengen in die kelders en kantoorgebouwen waar perse bereik nodig is en de "building penetration loss" te groot is (en het doorschakelen naar een vast nummer geen optie is). Dit is dan de verantwoordelijkheid van de betreffende gebouwbeheerders.
Een dergelijk zendmastenplan is reeds staande praktijk in o.a. Salzburg, Oostenrijk.
 
Tussen-oplossingen.
 
Op korte termijn kan een soort 'hybride' situatie gerealiseerd worden met een aantal relatief eenvoudige maatregelen:
  • het vermogen van alle zenders in woonwijken (nu meestal 10-20 watt) wordt teruggebracht tot 1-2 watt. De bestaande vergunningsvrije masten in woonwijken worden verhoogd van 5 meter naar 15 meter. Dit zal de hoogste blootstellingsniveas in bijna alle nabijgelegen woningen tot beneden de 500 microwatt/m2 terugbrengen. Zenders worden niet meer afgesteld met een 'tilt' schuin naar beneden indien dit leidt tot blootstellingsniveas boven de 500 microwatt/m2 bij enig nabijgelegen woning.
  • mast-sharing wordt in incidentele gevallen (tijdelijk) toegestaan wanneer de dekkingsgraad in gevaar komt.
  • (kantoor) gebouwen met een hoge "building penetration loss" (die bovendien relatief ver van een zendmast staan) worden voorzien van zogenaamde "repeaters".
  • het vergunningsvrij bouwen van zendmasten op grond van het Besluit Bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (bblb) wordt afgeschaft.
  • de afspraken van de telecommaatschappijen onderling m.b.t. 'roaming' (buitenlanders die hier mobiel bellen) worden zodanig aangepast dat niet langer de provider met het sterkste signaal het gesprek 'krijgt', maar - bijvoorbeeld - de provider met de dichtstbijzijnde antenne. De huidige situatie beloont namelijk die telecom provider die in bijvoorbeeld toeristische steden, op vliegvelden, en nabij zakencentra de zenders op het hoogste niveau afstelt (vaak een factor van meer dan een miljoen hogere signaalsterktes dan nodig voor een goede ontvangst).
 
Formeel correcte benadering: ALARA.
 
Formeel gezien zijn de richtlijnen van de EU met betrekking tot de toepassing van het voorzorgspincipe op milieufactoren dermate specifiek dat er weinig ruimte is voor discussie. Zo wordt in deze richtlijnen nadrukkelijk gesteld dat het ontbreken van een mechanistische verklaring voor het optreden van gezondheidseffecten geen reden mag zijn om geen voorzorgsmaatregelen te nemen.
Verder wordt er ook gesteld dat niet de hele wetenschappelijke wereld de beschreven gezondheidseffecten hoeft te onderschrijven. Een wetenschappelijk 'bewijs' (hier is overigens geen eenduidige definitie voor) is ook geen vereiste. Het is wel vereist dat de onderzoekers die de gezondheidseffecten van een bepaalde milieufactor hebben aangetoond uit 'onverdachte' hoek komen. Aan deze laatste eis wordt ruimschoots voldaan in het geval van de stralingsbelasting voor omwonenden van zendmasten m.b.t neurologische effecten (zie: neurotoxische effecten).
In het verlengde van het voorzorgsprincipe is het logisch het ALARA (As Low As Reasonably Achievable) beginsel te gaan volgen. In de praktijk houdt dit in dat de telecomindustrie zich dan verplicht de zenders zo te plaatsen (en op een zodanige manier af te stellen) dat er nog (net) bereik is binnen het bedieningsgebied, en tegelijkertijd de stralingsbelasting van omwonenden van de betreffende zendmast minimaal is. Toepassing van ALARA heeft geen negatieve invloed op het concurrentievermogen van individuele telecommaatschappijen wanneer zij allen aan deze eisen moeten voldoen. Uiteindelijk zijn zij ook goedkoper uit aangezien zij met lichtere zenders kunnen werken die minder energie gebruiken.
De kosten van deze aanpassingen aan het antenneplan zal Nederland vermoedelijk ruim terugverdienen door lagere kosten aan gezondheidszorg en een verminderd ziekteverzuim bij omwonenden van zendmasten t.g.v. (semi) chronische hoofdpijn en andere neurologische aandoeningen.
 
Het 'Salzburger antenneplan' - zoals hierboven geschetst doet in de meeste opzichten recht aan het ALARA beginsel. In combinatie met (voor de zekerheid) een wettelijke blootstellingslimiet van 100 microwatt/m2 is het huidige probleem grotendeels opgelost.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Fig. 3. Modelberekening van de stralingsniveaus (op 15 meter hoogte) rondom en tussen een drietal GSM zendmasten (45 m hoog) met ieder drie zenders van 0.6 watt. De gelige gebieden hebben een blootstellingsniveau van 10-50 uW/m2, de groene gebieden minder dan 10 microwatt/m2 (bron: Dr. Gerd Oberfeld, Salzburg).